dinsdag 3 november 2015

Mijn tweede leven van Ton Oosterhuis

Mijn tweede levenMijn tweede leven by Ton Oosterhuis
My rating: 2 of 5 stars

Don't judge a book by its cover,  zei Mr. Tulliver in George Eliot's The Mill on the Floss (1860) terwijl hij de buitenkant van Daniel Defoe's The History of the Devil bewonderde. Een waarheid als een koe. Een prachtige buitenkant staat niet garant voor dezelfde kwaliteit binnenin (én andersom), maar het helpt wel.

In het geval van Mijn tweede leven van Ton Oosterhuis is het in ieder geval zo dat hij, en niet de marketingafdeling van de uitgever verantwoordelijk is voor wat er op de voorkant van zijn boek is afgebeeld: een door hemzelf geschilderde bos bloemen. De reden is, zo vertelt hij in Verklaring van de titel, dat hij dat wel passend vond voor deze bloemlezing uit bloemlezingen.
Hij vertelt in datzelfde stuk dat Miep Diekman ooit over hem had geschreven dat hij twee levens had moeten hebben omdat hij zoveel belangstelling heeft voor alles: dichten, liedjesschrijver, verhalen, cabaretteksten, vertalingen en dan is hij ook nog eens een - zo zegt hij zelf - amateuristische zondagsschilder. Met die laatste omschrijving slaat hij de overbekende spijker bovenop de kop, want dit is inderdaad precies wat je verwacht van een bos bloemen geschilderd door een zondagsschilder: oubolligheid ten top.

Zo'n begin helpt niet. Gelukkig begint het boek met een aantal aardige anekdoten over zwerftochten die sommige van zijn liedjes gemaakt hebben, zoals bijvoorbeeld Zon op een plankje. Het lied dat Oosterhuis in 1959 schreef wordt in datzelfde jaar door het volkskundig tijdschrift Neerlands Volksleven beschreven als 'een anoniem vers uit de bezettingstijd' en 'een lied dat niet Nederlandser en eigentijdser kan zijn':

Zon op een pleintje met schaduw van bomen,
spelende kind'ren, een lied en een lach,
mannen die fluitend van 't werk huiswaarts komen,
dat is wat ik in mijn dromen zag.

Refrein:
Klinkt, klokken van de toren,
maait, maaiers, maait het koren,
zingt, laat je lied'ren horen
laat ze klinken, klinken door het wijde land.

't Is nog een droom, maar miljoenen beleven
sterk dit verlangen naar zonlicht en vreê,
duizenden willen, als wij, alles geven,
dragen die droom in hun hart steeds mee.

Refrein

Dwars door een wereld in angsten gevangen,
dwars door een tijd die de ogen verblindt,
gaan wij en zingen van droom en verlangen,
omdat wij weten dat Vrijheid wint!

Refrein


Dat het tijdschrift het liedje zo'n 14 jaar ouder schat dan het is, is niet zo heel raar, maar dat is niet het enige waarmee ze mis zitten. Oosterhuis schreef dit versje namelijk tijdens een jongerenkamp in Stockholm, terwijl hij onder de indruk was van de Zweedse dansen en liederen. Zo Nederlands is het dus helaas niet...

Het is jammer dat deze paar anekdoten aan het begin, samen met de door Oosterhuis vertaalde Shakespeare-sonnetten aan het eind, de enige hoogtepunten zijn in een verder rommelig, zonder enige samenhang, samengesteld bundeltje. Het bevat liedjes, teksten, fragmenten, historische (jeugd)verhalen en vertaalde gedichten, voor elk wat wils en daarom voor niemand van voor tot achteren interessant. Het was voor Oosterhuis zelf waarschijnlijk erg leuk om dit boekje samen te stellen, maar voor de lezer helaas te hapsnap en veelal te verouderd. Een boekje, dus, waarvan de omslag precies past bij de inhoud en daarom rustig op basis daarvan beoordeeld mag worden..

Gerecenseerd voor Hebban.nl

View all my reviews

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen