maandag 20 januari 2020

Poezie Mauw #1: Aankondiging Poëzieweek

Poezie Mauw

Lees eens gauw
Hier staat een gedicht voor jou
Lees je mee?
Hupsakee!
Oh, wat heerlijk rijmen wee*


Tekst: Ellen

Van 30 januari tot en met 5 februari is het weer tijd voor de Poëzieweek. Hier kun je alle informatie vinden over de activiteiten, evenementen, deelnemers en prijzen. Wij doen ook mee aan deze week, maar lekker eigenwijs op onze eigen wijs: elke dag een stukkie, elke dag anders. Kort, lang, serieus,  lollig, ontroerend, bekend en bemind of (nog) onbemind vanwege onbekend, met en zonder metaforen, quotes en aanhalingstekens. 

In aflevering 17 van de  NPO Radio 1 Boekenpodcast zijn Gijs Groenteman (Kunststof - NTR) en Wim Berkelaar (OVT - VPRO) met elkaar in gesprek over twee van hun favoriete boeken. Berkelaar begint (over De vergeten gesprekken met Hitler, van Eric Branca), daarna (vanaf 07:56) komt Groenteman aan de beurt en vertelt over De grom uit de hond halen van Iduna Paalman. Eerst legt hij uit waarom hij zelden of nooit gedichten leest  en vervolgens waarom hij deze gedichten wél geweldig vindt. De redenen dat hij niet graag gedichten leest, worden vaker aangedragen en zullen jullie dus niet onbekend in de oren klinken.

Poëzie, gedichten, dichtbundels schrikken velen af... en terecht. Soms. Maar soms ook niet. Herman Finkers vertelt hoe simpel dichten is in zijn Poëziecursus (opgenomen in onder andere Poëzie zo moeilijk nie) waaruit onderstaande quote afkomstig is:
Naast rijm is nog van belang het metrum. Metrum heeft te maken met waar je
de
klemtonen legt in een gedicht. Ik hoorde laatst op de radio in de
Ster-reclame
de volgende zin:

'Ik ben Karin en ik heb een druk gezin'
Dat is van een heel laag niveau, Karin-gezin. Dat metrum klopt niet. Het is
van
Een veel hoger niveau om te zeggen:

'Ik ben Karin en hij moet daarin'.
Wellicht dat u zegt: "Karin - daarin, dat vind ik een beetje flauw". Maar
dan
heeft u het niet over het metrum. Want dat is ijzersterk. Dan heeft u het
over
wat anders.
Wat overigens ook wel van belang kan zijn in een gedicht.
Geen idee over welke reclame het gaat (wasmiddelen?), maar het doet mij denken aan dit liedje van Brigitte Kaandorp. Wisten jullie trouwens dat Willem Elsschot, Kees van Kooten, Heere Heeresma en Kees van Kooten ooit in de reclame werkten? In Middenstand gijzelt poëzie voor bitterbal en haring, een Volkskrantartikel uit 2006, staan ze gebroederlijk naast elkaar genoemd, en is een reclameslogan van onder andere Elsschot terug te vinden. In Lees!, samengesteld door Ahmed Aboutaleb (poëzieliefhebber en burgemeester van Rotterdam), is onderstaande distichon** te vinden in Ars Poëtica van de Chileense dichter Vicente Huidobro:
Maak nieuwe werelden, let op je woord;
Een adjectief dat geen nieuw leven baart, pleegt moord.
Dat is precies waar het om gaat. Niks niet ingewikkeld, niks niet 'alleen voor kenners' (en hoe zijn dat dan kenners geworden? Nou?). Kenner, liefhebber, genieter word je vanzelf... door het te doen, en in dit geval is 'het' het lezen van gedichten. Niet elke dag, en al helemaal niet omdat het zou moeten. Welnee! Maar hoe kom je erachter dat een dadel met vijgenchutney, geitenkaas en een zoute pecannoot lekker is? Doordat iemand dat verzint, het je aanbiedt en jij het proeft. Olijven moet je leren lezen schreef Ellen Deckwitz al eens, en dat klopt. Zij las ooit Ik wou dat ik twee hondjes was ' bijeengebracht en ingeleid' door Victor van de Reijt en werd voor het leven besmet met het plezier dat die dichters daarin tentoonspreiden. Neem nu Coos Neetebeem (*grijns*):
Een nieuwe lente en een nieuw geluid
Alleen in Drenthe kijken ze wel uit
Heerlijk toch? Die Drentse argwaan gevat gevat in - wederom - een distichon, waarvan de eerste regel gejat (en inmiddels een supercliché) is van het beroemde gedicht ... (je weet het wel, wedden?) Naast Neetebeem staan er gedichten in van vele andere bekende en minder bekende (nonsens)dichters. Levi Weemoedt, bijvoorbeeld, wiens bloemlezing (samengesteld door Özcan AkyolPessimisme kun je leren het afgelopen jaar genomineerd werd voor de NS Publieksprijs. Als eerste (en dus enige) dichtbundel ooit. In Ik wou dat ik twee hondjes was is onder andere deze streekroman van zijn hand te vinden:

ALS EEN TANG OP EEN VARKEN
(streekroman)
Toen zij na vijftig jaar, door Toevals grillige
                                                         leiding,
zijn stulp weer intrad, aanschoof in het licht
en vroeg of hij nog nieuws had sinds hun
                                                      scheiding,
dacht hij lang na en sprak: ‘De zéug het weer 
                                                          ebigd...’
Zo duidelijk en/of grappig als bovenstaande voorbeelden zijn lang niet alle gedichten. Soms zijn ze zo hermetisch, dat er bij het overgrote merendeel van de lezers slechts een enorm geel vraagteken boven het hoofd groeit tijdens het lezen. Iedereen kent wel zo'n voorbeeld (er is ruimte genoeg onder dit artikel om een voorbeeld achter te laten...) en herkent - wellicht - het gevoel dat je bekruipt als een ander je dan haarfijn weet uit te leggen wat de dichter je trachtte duidelijk te maken. Laat je echter niet van de wijs brengen, die kenner kan het best helemaal mis hebben. Zoals in het geval van Arjan Peters, die in zijn recensie van begin januari in de Volkskrant een gedicht van Co Woudsma anders begreep dan Woudsma bedoelde. Die laatste legt dat vervolgens in een reactie op Tzum, voor alle zekerheid, nog even uit. Of beide heren ooit nog vrienden worden, is nog onduidelijk. Maar mocht het nodig zijn, dan sturen we de Troostvogel van Drs. P. toch bij beide heren langs? Komt het vast weer goed!


*   Zeer oud-Nederlands woord voor wij
** Strofe, die uit twee regels bestaat (zie nu Ellen voor je, springend en juichend, omdat ze het voor elkaar heeft gekregen om tersluiks/slinks een poëzieterm te laten vallen, die ze natuurlijk net heeft opgezocht, want wie kent die dingen nou uit het hoofd?)

Geschreven voor Literatuur onder de Loep (Hebban) ihkv de Poëzieweek 2020)

Uit het Handig Literatuurboek #4: Gekken

Het is de eerste aflevering van het jaar, en de eerste van dit decennium* van de serie 'Uit het Handig literatuurboek'. De serie dankt de naam aan het prachtige boek van Willem Wilmink en neemt de onderwerpen die daarin langskomen als uitgangspunt voor een artikel op. Het onderwerp is deze keer Gekken.

Tekst: Ellen

Samen met Herman en Hetty Finkers en zijn vrouw Wobke maakte Willem Wilmink een 'kathedralenreis' mede naar aanleiding van het proefschrift van H.H. Beek Waanzin in de middeleeeuwen (wat Wilmink niet vermeldt, is het trieste feit dat de auteur overleed vóór de promotie van zijn proefschrift, zie hier). De reis is belangrijk voor Wilmink, zoals blijkt uit Zelfportret in brieven:
In 1995 had hij al een kathedralentocht door Noord-Frankrijk gemaakt met Herman en Hetty Finkers. In de Mariakapel van Larchant werd hij hevig geraakt door dertiende-eeuwse borstbeelden van depressieve mensen: ‘En dat alles uit steen gehouwen met zoveel begrip en zoveel deernis, dat er voor mij niets mooiers bestaat dan dat kerkje.’
Via Reims, 'kinderen en gekken vertellen de waarheid' en een prachtig gedicht van Charles d'Orléans waarin hij over zijn depressies verhaalt, landt Wilmink bij VandersteenSuske en Wiske en meer speciaal bij het achtenzestigste stripverhaal: De Dulle Griet**Professor Barabas, de ietwat chaotische wetenschapper, wil via de 'teletransfor' Dulle Griet uit het schilderij van Pieter Bruegel tot leven wekken, om van haar te weten te komen waarom mensen oorlog voeren. Willem Wilmink kijkt naar hetzelfde schilderij en ziet iets anders. Hij ziet 'de waanvoorstelling van die vrouw, die er ook in haar manier van lopen blijk van geeft bezeten te zijn [?]' en veronderstelt dat Bruegel een 'geesteszieke afbeeldt, verdwaald in haar gruwelijke gedachtenwereld'.


Op Historiën.nl is een artikel te vinden over de verschillende interpretaties van dit schilderij en dan met name van Dulle Griet zelf. Margaretha van Altea, beschrijft haar afbeelding als volgt:
Op de voorgrond staat een vrouw op een brug. Zij is meer dan levensgroot gezien de verhouding met de gebouwen, bomen en andere figuren om haar heen. Zij wendt zich van de hel af die zich op de achtergrond bevindt. In haar rechterhand draagt zij een lang zwaard, in de linker een zak, een ketel en een mand waaruit allerlei voorwerpen puilen. Op haar hoofd draagt zij een helm en zij heeft een borstkuras. Griet heeft een woeste blik in de ogen, haar mond is geopend en haar neus opvallend rood. Aan haar voeten zitten enkele composietmonstertjes met ronde lichamen bij een open ei.
Van Altea komt tot de conclusie uiteindelijk, dat 'Dulle Griet veeleer een figuur uit de volkstraditie is die hier gebruikt wordt om op komische wijze de vrouw, maar ook de man, weer te geven.' Dat is weer een andere blik en ik laat het aan jullie om je eigen mening daarover te vormen.

Dulle Griet komt niet alleen op dit schilderij van Bruegel en in de strip van Vandersteen voor, Geert De Kockere schreef een prentenboek over haar, dat Carll Cneut illustreerde. De Kockere is er, net als professor Barabas, van overtuigd dat we met een echt moordwijf te maken hebben, die voor de duvel niet bang blijkt volgens de beschrijving van het boek: 'Dulle Griet deed alles wat niet mocht. Ze vloekte en tierde, stampte en klopte, plunderde en moordde. Niemand wilde met haar trouwen. Op een dag vertrok Dulle Griet naar de hel. Ze wilde de duivel ten huwelijk vragen.' Wie het boek wil inkijken, kan hier terecht.

Riana Scheepers, een Zuid-Afrikaanse schrijfster, is ook bekend met Dulle Griet. Onder die titel heeft zij een (naar het Nederlands vertaalde) verhalenbundel geschreven die in 1995 verscheen. Vrouwen, sterke vrouwen, van welke kleur of komaf dan ook, komen veelvuldig voor in haar verhalen. Zij was eind vorig jaar nog in Nederland ter gelegenheid van de week van de door Writers Unlimited (voor de vierde keer) georganiseerde Week van de Afrikaanse roman.  In de Centrale Bibliotheek in Den Haag voerde zij, samen met zes andere auteurs en muzikanten uit Zuid-Afrika een gesprek onder leiding van Abdelkader Benali. Het bijna twee uur durende gesprek kun je hier (terug)zien.

Terug naar Wilmink die geen sterke, oorlogvoerende vrouw ziet, maar een bezetene, een gekkin. Dat is precies wat de Engelstalige titel van het schilderij 'vertelt', want behalve Dull Gret wordt daar (vaker) Mad Meg als titel gebruikt. En dat is dan weer de bijnaam van Margaret Cavendish, Duchess of Newcastle-upon-Tyne, die alles en iedereen schokte door gedichten te publiceren onder haar eigen naam! Jawel, het lef! Deze Mad Meg leefde wat later, in de zeventiende eeuw om preciezer te zijn en was van adel. Veel overeenkomsten in levensomstandigheden heeft ze dus niet met Bruegels heldin, maar interessant/getikt is ze wel. Virginia Woolf omschrijft haar bijvoorbeeld als 'a giant cucumber… noble and Quixotic and high-spirited, as well as crack-brained and bird-witted', terwijl Samuel Pepys haar 'mad, conceited and ridiculous' noemde.


Het Belgische Canvas wijdt hier een (mini)aflevering in de serie Hersenspinsters aan haar. En terecht, want deze dame was dichter, filosoof, schrijver van romances in proza, essayist en toneelschrijver. Zij schreef onder andere één van de eerste sciencefictionboeken ter wereld: The Description of a New World, Called the Blazing-World. Zij creëert daarin een wereld die er bijna net zo eigenaardig, hoewel niet net zo dreigend uitziet als die van Bruegel en bovendien als voorbeeld lijkt te hebben gediend voor De Kockere's prentenboek. Cavendish wist van wanten, maar bleef daarbij uiterst bescheiden zoals uit de subtitel van het boek blijkt: By the Thrice Noble, Illustrious, and Excellent PRINCESS, THE Duchess of Newcastle. Een tikje getikt misschien, maar haar De stralende wereld is in 2020 - in het Nederlands - nog volop te verkrijgen en dat is lang NIET gek!


 *     Hoewel er mensen zijn die van mening zijn dat het decennium pas volgend jaar begint, zijn nu toch echt aan de jaren twintg begonnen (>‿♥)
 **   Voor wie het vergeten was, net nieuw is of het nog een keer wil lezen, we hebben het al eens over Dulle Griet gehad, zie daarvoor Lees dit lied! Op een boerenbruiloft met Suske en Wiske.

Uit het Handig Literatuurboek #3: Het proletariaat

Het is de laatste aflevering van het jaar, de laatste van het decennium van de serie 'Uit het Handig literatuurboek'. De serie dankt de naam aan het prachtige boek van Willem Wilmink en neemt de onderwerpen die daarin langskomen als uitgangspunt voor een artikel op onze spot. Het onderwerp is deze keer Het proletariaat.

Tekst: Ellen

Wilmink besteedt in zijn boek relatief veel aandacht aan poëzie, zo ook in dit geval. We zijn nog steeds in de  middeleeuwen, dus Marx (en Engels) zijn nog niet aan het woord, maar dat belemmerde Eduard de Dene niet om een gedicht te maken dat als titel Daer en es gheen bermherticheyt upder eerden kreeg en begint met:
Wat zal tschamel ghemeente varynck ghaen maecken?
Tes al diere, dat men te montwaerts steict.
Doet dit behoorlick provisie niet staecken,
Veel zalder ghaen slaepen met verhongherde caecken
De gewone man, wat moet hij ervan maken?
Alles is duur wat je de mond in steekt.
Als we nog meer achterop gaan raken, 
zullen velen gaan slapen met honger op de kaken
Het gedicht eindigt als volgt:
Ingheboren hulpe es ghereyst zynder veerden.
De groote buersen hebben nu dueverhandt.
Daer en es gheen bermherticheyt upder eerden. 
Waar men vroeger iets voor een ander bewaarde,
heeft het grote geld nu de overhand;
er bestaat geen barmhartigheid op de aarde.
Gelukkig zijn er tegenwoordig koopkrachtplaatjes, waarmee gezorgd kan worden dat wat er beschikbaar is, beter verdeeld wordt. Hoewel Charles Ducal, in 2014 Dichter des Vaderland in België, daar - laten we zeggen - genuanceerd tegenover staat, zoals blijkt uit zijn gedicht Koopkracht in De Morgen. Het gedicht werd gepubliceerd op de Werelddag tegen de Armoede (17 oktober).
Na zijn dood werd God vloeibaar
goud. In die vorm kwam hij overal,
op alle plaatsen, die hij overspoelde
tot men geen andere god nog aanbad.

Heter dan kokende as, kouder dan ijs
drong hij binnen door ogen en oren
en dwong alle handen naar zijn gebod:
wie een leven wil moet het zien te kopen.

Wie het kan wordt vloeibaar als God zelf,
wast aan en giet zich uit over de wereld,
duizenden goden, allen de enige.

Wie het niet kan wordt onbestaand,
een roeier zonder spanen,
een zwemmer in het moeras,
een drenkeling buiten adem,
een wesp in een limonadeglas.
Prachtig hè? Op zoek naar andere voorbeelden bladerde ik weer eens door Domweg gelukkig, in de Dapperstraat van C.J. Aarts en M.C. van Etten en stuitte op onder staand gedicht (toegeschreven aan Adriaan Valerius) en begon spontaan te zingen (zingen jullie mee?):
Merck toch hoe sterck nu in 't werck sich al steld,
Die 't allen tijd' so ons vrijheit heeft bestreden.
Siet hoe hij slaeft, graeft en draeft met geweld,
Om onse goet en ons bloet en onse steden.
Hoort de Spaensche trommels slaen!
Hoort Maraens trompetten!
Siet hoe hij komt trecken aen,
Bergen te bezetten.
Berg op Zoom hout u vroom,
Stut de Spaensche scharen;
Laet 's Lands boom end' sijn stroom
Trouwlijck doen bewaren!
Voor wie dit niet spontaan meezingt, ziet en hoort het hieronder aan!

0.jpg

Nee, dit is niet ineens stiekempjes een aflevering van Lees dit lied geworden en nee, het is niet aan de heer Lodewick te danken dat ik het lied ken, maar wel aan de juffen en meesters van de lagere school (basisschool bestond nog niet). Ter gelegenheid van - volgens mij - onder andere Koninginnedag, zongen we dit (en andere liedjes, waaronder het Wilhelmus natuurlijk). Maar er komen ook andere wijsjes naar boven, zoals De wielewaal, Wilt heden nu treden, en Een karretje op de zandweg reed en dan blijkt na enig googlewerk dat ik - zeer waarschijnlijk - veel liedjes heb geleerd uit Nederlands Volkslied of Kun je nog zingen, zing dan mee. Dat ik daar nu pas, na al die jaren, achter kom....

Helemaal afgedwaald! Dus snel terug naar het proletariaat, waarbij ik toch vooral moet denken aan opgroeien in omstandigheden die iemand weinig mogelijkheden geven om haar of zijn talenten te ontplooien. Zelden heb ik dat verschil tussen opgroeien in (tamelijke) armoede en opgroeien in niet-armoede beter verbeeld zien worden dan in On a plate van Toby Morris. Dat zet een mens aan het denken, nietwaar? Zo zijn er talloze, vele en talrijke verhalen, al dan niet op rijm, al dan niet verzonnen, al dan niet getekend, beschikbaar die ons helpen in te leven in omstandigheden, die - gelukkig - voor het overgrote merendeel van ons, normaal gesproken niet aan de orde zijn. Hoewel het in Nederland en België voor vele gezinnen net zomin makkelijk is om het hoofd boven water te houden, en dat hier en nu ongelooflijk moeilijk is en steeds moeilijker lijkt te worden om dat te veranderen. Zo schreef Anne Vegter, toen zij Dichter des Vaderlands was in 2016:
Mijn armoede
Ik wachtte in mijn laatste jurk op het schoolplein.
Een moeder vroeg hoe ik het maakte.
En er was oploskoffie.
Ik werd onzeker, koos geen antwoord
uit angst voor mijn antwoord.
Er is een verband tussen geheugen en openstaande rekeningen.
Mijn zoon was al uit, naar bleek.
Hij had zijn schoenen geruild voor nieuwe spelletjes,
het waren merkschoenen. De opvang was dicht.
Ineens een glimp van God.
Thuis dronk ik online de nacht leeg
in het oneven licht van mijn geleende koelkast.
Weer die wanhoop. Waar moest ik mijn beslissing van betalen?
bron: Dichter des Vaderlands website
Ik weet niet hoe het jullie verging bij het lezen van bovenstaand gedicht, maar bij mij brandde vooral die zin 'Er is een verband tussen geheugen en openstaande rekeningen' er nogal heftig in. Een andere in mijn geheugen gebrande term kwam ik jaren geleden tegen in een artikel in The Guardian van Linda Tirano: Poverty thoughts, noemde zij het. Een voorbeeld:
I smoke. It’s expensive. It’s also the best option. You see, I am always, always exhausted. It’s a stimulant. When I am too tired to walk one more step, I can smoke and go for another hour. When I am enraged and beaten down and incapable of accomplishing one more thing, I can smoke and I feel a little better, just for a minute. It is the only relaxation I am allowed. It is not a good decision, but it is the only one that I have access to. It is the only thing I have found that keeps me from collapsing or exploding.
Het proletariaat. Waar zo'n paragraaf met aan het eind zo'n middeleeuws gedicht allemaal al niet toe kan leiden... Laten we zorgen dat er wel barmhartigheid bestaat op de wereld. En, niet onbelangrijk, weet dat we sinds de middeleeuwen enorme vooruitgang hebben geboekt. Over de hele wereld. Luister en kijk maar naar, de helaas inmiddels overleden, Hans Rosling! En voor wie 'graag' nog wat wil lezen over (het opgroeien in) armoede, kijk naar rechts en zie een lijst met wat suggesties. Die, ik weet het zeker, door jullie zonder enige moeite kan en zal worden aangevuld. Wedden?

Ter afsluiting nog een laatste gedicht dat prima bij dit onderwerp past, omdat het proletariaat dikwijls te kampen heeft met niet al te fraaie woonomstandigheden:

SCHEEF
Een tor bewoonde al een poosje
het hulsje van een lucifersdoosje.
Totdat een koe een poot verzette
en zo de torrenwoning plette.
Het hele huisje uit het lood.
De kleine tor, nog net niet dood,
bewoont nu ietwat uit zijn hum
een parallellepipedum.

Bron: Wis- en natuurlyriek (uitgebreide editie). Met chemisch supplement en verse verzen van K. achtste druk 2018 van Drs. P en Marjolein Kool


ps. waar denken jullie nu aan bij het woord scheefwonen ;)?

vrijdag 10 januari 2020

Joost Swarte overal (Kunsthal Rotterdam 2019-2020)

Joost Swarte is een Nederlandse grafisch ontwerper, illustrator en architect. Niet alleen bekend in Nederland, maar ook ver daarbuiten. 

Tekst: Ellen
Banner: Anne Oerlemans



Het zijn niet zozeer zijn strips die hem die internationale bekendheid hebben opgeleverd, hoewel de wat ouderen onder ons zich wellicht Jopo de Pojo herinneren (en dan bedoel ik de strip, niet de pas verhuisde stripwinkel in Haarlem). En anders Anton Makassar, Katoen en Pinbal, De Blauwe Berbers, Caesar Soda, Toon en Toos, Brodeloos en/of Ben Cine? Nee, Swarte heeft zijn internationale bekendheid vooral te danken aan zijn werk als illustrator en architect. En hij is, zoals Joost Pollmann het omschrijft in zijn De stripprofessor, de geestelijk vader van de klare lijn:
In februari 1977 organiseerde de Rotterdamse Kunststichting de tentoonstelling Kuifje in Rotterdam, en bij die gelegenheid verschenen vier ‘schriften’ met omslagtekeningen van Joost Swarte. Het vierde cahier heette De Klare Lijn en op het omslag zien we professor Kuifje lesgeven aan enkele bekende tekenaars, onder wie Swarte zelf (toen nog met snor). De aanwijsstok van Kuifje gaat naar een schoolbord waarop een kaarsrechte lijn is getrokken van punt A naar punt B, met daarnaast een cirkelvormige inzet waarin een inktpot en een kroontjespen zijn getekend. Voilà, dit is het geboortekaartje van de term klare lijn, die in het Frans la ligne claire is gedoopt en in het Engels the clear line.
Joost Swarte werd geboren in 1947 in Heemstede en studeerde industrieel ontwerp aan de Academie voor Design in Eindhoven. Hoewel hij in de jaren zeventig bovengenoemde en andere strips maakte, en zijn strips in diverse kranten en tijdschriften te vinden waren, werd hij het meest bekend door de talloze tekeningen, postzegels, (reclame)posters, ansichtkaarten, lp- en cd-hoesjes, meubilair, glas-in-loodramen, muurschilderingen en natuurlijk zijn covers van bladen zoals Vrij Nederland, Humo en The New Yorker. Zijn werk is vertaald in het Engels, Frans, Spaans, Italiaans en Duits.

Samen met Hansje Joustra richtte hij uitgeverij Oog & Blik op. De uitgeverij bracht onder andere zeefdrukken van Swarte en andere kunstenaars uit, maar ook graphic novels van - niet de minste! - Amerikaanse auteurs uit, zoals Art Spiegelman, Robert Crumb en Chris Ware. Inmiddels is Oog & Blik een imprint van De Bezige Bij geworden.

De Toneelschuur in Haarlem is een van de door Swarte ontworpen gebouwen. Om de hoek daarvan is het Johan Enschede Hof te vinden waar een enorm glas-in-loodraam bewonderd kan worden dat door Swarte is gemaakt.Van alles wat hierboven staat is iets terug te vinden in de Rotterdamse Kunsthal. In het geval van grote ‘dingen’ gaat het natuurlijk om foto’s en andersoortige afbeeldingen.

Wie Swarte niet kent als striptekenaar, architect, poster-, cover- en postzegelontwerper, kent hem wellicht als illustrator. Want - zoals ook al te zien is aan de afgebeelde cover van The New Yorker, is Swarte ook zeer actief binnen het literaire wereldje. Een van de grappigste/handigste/interessantste/nuttigste bijdragen daaraan is misschien wel het boek dat hij samen met Chistine Lewis maakte: Kop en Staart. Aan de hand van een simpel versje, en in navolging van Stijloefeningen van Raymond Queneau, behandelt Lewis op een grappige, nauwkeurige en begrijpelijke wijze allerlei literaire termen.
Swarte maakte daar illustraties bij. Dat is onbegrijpelijk goed gelukt, want hoe illustreer je in vredesnaam termen als vertaling (zo dus), allegorie, expositie, aanname, enz? Nou, zoals Swarte dat dus gedaan heeft!

Ten slotte (en dat slaat op dit artikel, niet op de talenten of het werk van Joost Swarte, want dat lijkt oneindig qua variëteit en kwaliteit) zijn er nog de prachtige geïllustreerde uitgaven van de Nescio-verhalen: De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. Hier zijn voorbeelden te zien van die illustraties.

Het - zeer diverse en alleen al daarom zo interessante - werk van Joost Swarte is nog tot en met zondag 19 januari te zien in de Kunsthal in Rotterdam en - het mag duidelijk zijn - dat is een bezoek meer dan waard.

Bronnen: