woensdag 16 september 2015

In de spiegel van Guus Luijters

In de spiegelIn de spiegel by Guus Luijters
My rating: 4 of 5 stars

Ooit had hij zich voorgenomen om alles wat er gebeurde vast te leggen, maar dat werd zoveel dat hij het opgaf. Maar de enorme hoeveelheid herinneringen schrok Guus Luijters niet af toen hij zijn voornemen om de bijna 18.000, tijdens de Tweede Wereldoorlog vermoorde, kinderen een gezicht te geven, ging uitvoeren. Zijn In memoriam: de gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen 1942-1945, een boekmonument van meer dan duizend pagina’s, waarin 17.964 kinderen met hun naam, hun geboortedatum, adres, sterfdatum en -plaats zijn opgenomen, verscheen in februari 2012.
Tijdens een interview bij Nooit meer slapen vertelt Luijters dat hij zich tijdens het werken aan In Memoriam voornam om ooit zijn eigen herinneringen op papier te zetten. Het eerste resultaat daarvan verscheen in 2013, Lege stad, waarin zijn herinneringen aan de belevenissen tijdens zijn eerste zeven levensjaren zijn opgenomen. Het boek bestaat uit flarden van gebeurtenissen, waarvan Luijters niet altijd weet of het om zijn eigen herinnering van die gebeurtenissen gaat of dat hij de telkens weer herhaalde familieverhalen daarvan navertelt.

En nu is daar In de spiegel, waarin in drie delen van vijftien 'prozagedichten', Luijters' herinneringen aan zijn vijftienjarige ik zijn opgenomen. Alle gedichten zijn vijftien regels lang, met uitzondering van het laatste gedicht dat uit zestien regels bestaat.
In klare taal, zonder opsmuk, komt door de bespiegelingen van de vijftienjarige Guus Luijters de wereld van eind jaren vijftig tot leven. In beeld en geluid.

Mijn kleren hangen aan een stoel
en laten mij geen keuze een
broek een trui een overhemd
maar zo heb ik van een vriend
geleerd zet je kraag omhoog
en de wereld explodeert
mijn vriend heet Tak hij weet
van Blakey Silver Charlie Parker
ik fiets met hem naar huis maak
grapjes met zijn zuster en
hoor de solo van Hank Mobley
die nooit verstillen zal buiten
varen platte schepen kolen
door het land ze varen naar de
Overtoom en zonder jokken

Van muffe jaren vijftig, ruikend naar spruitjes en draadjesvlees, is bij Guus Luijters geen sprake: hij luistert naar jazzgiganten en ziet sommigen daarvan in levende lijve optreden, hij rookt, is verliefd, kijkt films, struint de stad af, drinkt gaat op vakantie naar Frankrijk en doet vooral waar hij zin in heeft. Hij roept verontwaardiging op door zijn kraag omhoog te doen, of middenin de winter een zonnebril te dragen, zijn regenjas af te knippen en geniet van de 'vormloze' dwarse gedichten van Lucebert.

De dood komt bij deze vijftienjarige vaak, hoewel zijdelings voor in zijn, desondanks, levenslustige schetsen. Een onschuldig beginnend gedicht over het grote avontuur van het dwalen door de stad eindigt bijvoorbeeld met

nam de pont ik stak het water
over zonder de dood te zien
die toen nog heel ver weg was
en onschuldig bovendien

Luijters laat in In de spiegel vooral zien hoe fijn het leven was van een puber op de drempel van de jaren zestig. Op weg naar de tijd waarin alles kan en niets meer schokkend is, zorgt iedereen die het anders doet nog voor ophef en misprijzen. En niets is fijner voor een puber dan ouders en andere volwassenen te schokken of te verontwaardigen. Maar die puber is, net als alle pubers, ook kwetsbaar.

Zo veel levens tegelijk de
tennisser die Wimbledon ging
winnen de ongelukkige
scholier gelukkig met zijn
nieuwe school de zoon de dichter
de piloot de jongen uit de
Phonobar die in gebrekkig
Frans zijn vakantieliefde
schrijft maar liefheeft wie hem lief wil
hebbben jazzfanaat en fan van
Hermans Reve Nescio die
van God niet weet maar wel in hem
geloven wou en zijn leven
graag zou geven om zijn naam
een keer in druk te zien

Het is bijna onmogelijk om niet op zijn minst een beetje jaloers te zijn op deze beetje blufferige, vijftienjarige jongen die stoer met zijn kraag omhoog, sigaretten rokend op de hoek van een straat staat of zo heerlijk verliefd is op het mooiste meisje van de school.

[...]
wij jongens waren bang voor haar
tot zij mij in het water
van het zwembad plotseling
een glimlach schonk zo stralend
dat ik mijn angst vergat en
naar haar lachte en wacht maar
af jij blonde schoonheid dacht

Vijfenveertig fijne pastiches die laten zien dat het kind dat nooit ergens zin in had, zoals Luijters' kleindochter verwijtend opmerkte naar aanleiding van de verhalen uit Lege stad, een tiener werd die alles wilde, anders wilde en alles anders deed.

Gerecenseerd voor Hebban Literatuur

View all my reviews

Geen opmerkingen:

Een reactie posten