zondag 19 mei 2013

Een lievelingsgedicht... of meer!

Via Literair Nederland zag ik een oproep om je lievelingsgedicht op te sturen naar Het parool dat in het kader van het Poëziefestival De Nieuwe Liefde op zoek is naar "lievelingsgedichten van lezers, en wel: gedichten van nog levende Nederlandse dichters." Enthousiast postte ik de oproep in DizzieExpats, maar daar werd ik er al snel op gewezen dat het te laat was: de sluitingsdatum was (al) afgelopen vrijdag, de 17de mei. Jammer.
Hoewel, waarom? Opsturen naar Het parool heeft dan wel geen zin meer, maar daarom kan ik nog wel vertellen wat mijn lievelingsgedicht is, als ik dat zou hebben. Maar net als met fictie en non-fictie vind ik het schier onmogelijk om een keuze te maken. Bij fictie en - in iets mindere mate - non-fictie is het aantal kandidaten simpelweg te groot en wil ik ook niet kiezen. Bij poëzie ligt dat anders. Daar heb ik het gevoel dat ik nog maar zo weinig gedichten heb gelezen, dat ik zeker weet dat ik mijn lievelingsgedicht(en) nog niet heb gelezen.

Maar ik heb wel een aantal kandidaten. Kandidaten om toegelaten te worden tot de verzameling van mijn lievelingsgedicht-en. Een zeer voorlopige keuze daarvoor is bijvoorbeeld:

Rot yong
A terrible infant, called Peter,
sprinkled his bed with a gheter.
His father got woost,
took hold of a cnoost
and gave him a pack on his meter.

John O'Mill

Of, omdat het mijn stad is en blijft: Rotown Magic (met dank aan 'Andriez')


Ook van Deelder, geselecteerd omdat het een van de weinige gedichten is die ik helemaal uit mijn hoofd ken; al 30 jaar:

Een kip zonder kop
met een hersentumor.
Is dat geen humor?

Geheel anders, en ozo prachtig, niet van Deelder maar van Ellen Warmond:

Changement de décorZodra de dag als een dreigbrief
in mijn kamer wordt geschoven
worden de rode zegels van de droom
door snelle messen zonlicht losgebroken

huizen slaan traag hun bittere ogen op
en sterren vallen doodsbleek uit hun banen

terwijl de zwijgende schildwachten
nachtdroom en dagdroom haastig
elkaar hun plaatsen afstaan
legt het vuurpeloton van de twaalf
nieuwe uren bedaard op mij aan.


Het volgende gedicht van Hanneke van Eijken is nog maar heel kort geleden toegelaten tot de verzameling potentiële lievelingsgedichten:

Hoe we ons verhouden
Ik wist al vroeg dat mensen en giraffen
elk zeven nekwervels hebben
dat je overdag twee centimeter krimpt
je voet even groot is als de binnenkant
van je onderarm

later probeerde ik het heelal te meten
(straten waren lichtjaren, ik telde bruggen tot aan Mars)
ik dacht dat elders een plek was
met bergen en hoge bomen, er zou een rivier zijn
die we enkel moesten vinden

we kennen vele maten, maar niemand weet
in hoeveel schaduwkamers we zullen wonen
hoe stil of ver
een einde is

Hanneke van Eijken heeft in haar bundel Papieren veulens - aansprekende titel natuurlijk voor een paardenmensch als ik; dan begin je al met een plusje - nog heel wat meer kandidaten, maar ik beperk het voorlopig even tot dit ene. Bovendien heeft al dit overpeinzen opgeleverd dat ik bijna denk te weten welk gedicht nu, op dit moment, mijn lievelingskandidaat voor lievelingsgedicht is:

Gesprek met een steen
Ik klop op de deur van de steen.
"Ik ben het, doe open.
Ik wil in je binnenste gaan,
overal rondkijken,
je helemaal inademen."

"Ga weg," zegt de steen.
"Ik ben hermetisch gesloten.
Zelfs aan stukken geslagen
zullen we hermetisch gesloten blijven.
Zelfs fijngemalen tot zand
zullen we niemand binnenlaten."

Ik klop op de deur van de steen.
"Ik ben het, doe open.
Ik kom uit louter nieuwsgierigheid
die alleen het leven kan bevredigen.
Ik ben van plan rond te dwalen in je paleis
en daarna nog blad en waterdruppel te bezoeken.
Ik heb niet veel tijd.
Mijn sterfelijkheid hoort je te ontroeren."

"Ik ben van steen," zegt de steen,
"en moet daarom beslist mijn ernst bewaren.
Ga weg.
Ik heb geen lachspieren."

Ik klop op de deur van de steen.
"Ik ben het, doe open.
Ik heb gehoord dat binnen grote lege zalen zijn,
verlaten en vruchteloos mooi,
geluidloos en zonder echo van enige voetstap.
Geef toe dat je er zelf niet veel van weet."

"Inderdaad, grote en lege zalen," zegt de steen,
"maar daar is echt geen plaats.
Mooi, wellicht, maar buiten het bereik
van jouw zwakke zintuigen.
Je kunt me leren kennen, maar nooit doorgronden.
Gans mijn oppervlak keer ik naar jou toe,
met mijn hele binnenste lig ik afgewend."

Ik klop op de deur van de steen.
"Ik ben het, doe open.
Ik zoek in jou geen eeuwig asiel.
Ik ben niet ongelukkig.
Ik ben niet dakloos.
Mijn wereld is een terugkeer waard.
Ik kom en ga met lege handen.
En als bewijs dat ik er werkelijk ben geweest,
heb ik niets anders in petto dan woorden
die niemand zal geloven."

"Je komt er niet in," zegt de steen.
"Je mist de zin om deel te nemen.
Er is niets wat dit gebrek aan deelneming vervangen kan.
Zelfs een geoefende blik die niets ontgaat
zal je zonder deze zin voor deelneming niet baten.
Je mag niet binnen,
je hebt geen flauw idee van de kwintessens,
hoogstens een kiem, verbeelding."

Ik klop op de deur van de steen.
"Ik ben het, doe open.
Ik kan geen tweeduizend eeuwen wachten
voor ik in jouw huis mag komen."

"Als je mij niet gelooft," zegt de steen,
"vraag het dan aan het blad, je zult hetzelfde horen.
Vraag het de waterdruppel, hij zal dit beamen.
Vraag het ten slotte een haar op je eigen hoofd.
Ik barst uit in gelach, ja gelach, geweldig gelach,
al weet ik niet hoe ik moet lachen."

Ik klop op de deur van de steen.
"Ik ben het, doe open."

"Ik heb geen deur," zegt de steen.


Wislawa Szymborska

Geen opmerkingen:

Een reactie posten